Moeten we nog wel investeren in eigen datacenters?
De dood van het ‘enterprise datacenter’ is al meerdere malen aangekondigd. De ‘megaclouds’ van providers als Google, Amazon en Microsoft zouden eigen datacenters overbodig maken. Niets is minder waar. Juist de cloud zorgt ervoor dat het datacenter dichtbij huis steeds belangrijker wordt. De ontwikkelingen in de megaclouds drukken echter wel een flinke stempel op de lokale datacenters.
De omvang van de datacenters die de grote cloudproviders bouwen, gaat soms het eigen voorstellingsvermogen te boven. Zo bouwt Microsoft in Middenmeer een megadatacentercomplex. Het bedrijf heeft in het Noord-Hollandse dorp al een datacenter operationeel, bouwt momenteel een tweede datacenter en heeft een aanvraag ingediend voor de bouw van nog eens twee datacenters. De vier datahotels zijn dan samen goed voor een datacenteroppervlakte van 112.000 m2.
Hoeveel servers er in de datacenters van de grote cloudproviders zoemen, blijft vaak een raadsel. De meeste datacenters van Amazon zouden tussen de vijftig- en tachtigduizend servers huisvesten. Net zoals Google bouwt Amazon die servers voor een groot deel zelf.
Public cloud domineert
De investeringen in enorme datacenters voor het hosten van public megaclouds zijn niet zonder reden. De vraag naar public-clouddiensten overtreft die van private-clouddiensten. Volgens schattingen van Wikibon had de private-cloudmarkt in 2015 een omvang van iets meer dan 7 miljard dollar. Amazon was met zijn publieke Amazon Web Services in zijn eentje al goed voor 7,9 miljard dollar.
Steeds meer CIO’s lijken de private cloud dan ook over te slaan en parkeren data en applicaties weloverwogen in de public cloud. Dit blijkt onder andere uit de ‘State of the Cloud Report 2016’ van RightScale. Dit jaar halen IT-professionals 43 procent van hun computing resources uit de public cloud. In 2018 is dit percentage volgens RightScale gestegen naar 64 procent.
De IT-directeuren van grote bedrijven als Fugro, NS en PostNL spreken zelfs de ambitie uit om de eigen datacenters volledig te sluiten. Niet voor niets wordt de ‘dood van het enterprise datacenter’ al jarenlang voorspeld. Toch komt die aangekondigde dood nog niet in de cijfers naar voren. In 2015 maakte bijvoorbeeld 83 procent van de Noord-Amerikaanse bedrijven nog altijd gebruik van eigen datacenters, zo blijkt uit cijfers van 451 Research.
Edge wordt belangrijker
Nu we midden in het cloudtijdperk zitten, blijkt zelfs dat we de eigen, lokale datacenters harder nodig hebben dan ooit. Naast de trend van de cloud hebben we namelijk te maken met nog een trend: die van edgecomputing.
Om data snel te kunnen analyseren, verwerken en hergebruiken is het namelijk belangrijk dat gegevens zonder vertraging beschikbaar zijn. Daarvoor moeten de data naar de gebruikers en de processen toe worden gehaald, bijvoorbeeld door ze te cachen. Een alternatief waar momenteel veel aandacht voor is, is dat de data aan de ‘randen’ van het netwerk worden geplaatst. Daar zijn ze dan direct beschikbaar voor bijvoorbeeld snelle analyses, of om de gebruikers van on-demanddiensten een optimale ervaring te bieden. Ook machines of andere apparaten uit het Internet of Things versturen hun data naar deze edge.
Opkomst microdatacenters
De data aan de randen van het netwerk komen terecht in zogenaamde microdatacenters die dichtbij de gebruikers en de processen worden geplaatst. Hoe dit datacenter er in de praktijk uitziet, is sterk afhankelijk van de toepassing. Zo kan het microdatacenter een IT-rack op wielen zijn, maar ook een complete serverruimte op een bedrijventerrein of campus.
Datacenterleverancier Schneider Electric biedt bijvoorbeeld oplossingen variërend van kant-en-klare boxen en ‘ruggedized’ datacentermodules tot aan ‘subcontainers’ en microdatacenters op maat. Een ander voorbeeld is de RuggedPOD die door het Open Compute Project is ontworpen voor gebruik buitenshuis.
Megaclouds drukken stempel
Door trends als de cloud en het Internet of Things, dat goed is voor grote datastromen, is er meer dan ooit een sleutelrol weggelegd voor lokale datacenters. Daarnaast zal een belangrijk deel van de bedrijven altijd nog gebruik blijven maken van eigen datacenters, in combinatie met bijvoorbeeld de public cloud. Zo kan compliance een overweging blijven om bepaalde data lokaal te houden.
De ontwikkelingen in de megaclouds van bijvoorbeeld Amazon, Google en Microsoft leiden er wel toe dat lokale datacenters er anders uit gaan zien. De verschillende verschijningsvormen van het voorgefabriceerde, modulaire microdatacenter zijn daar al een voorbeeld van.
Ook de energiezuinige datacenterontwerpen van het Open Compute Project – ooit geïnitieerd door Facebook – dringen door tot in de lokale datacenters. Een voorbeeld daarvan zijn de ‘Open Rack’-systemen en behuizingen die zijn geoptimaliseerd voor Open Compute-servers. Ook op het ontwerp van de powerinfrastructuur in een datacenter heeft het OCP een flinke invloed.
Geen cloud zonder edge
Megaclouds introduceren niet het einde van het lokale datacenter. De nieuwe microdatacenters zorgen er juist voor dat we de cloud gaan gebruiken waar die ooit voor was bedoeld: we halen de data uit de cloud om er iets nuttigs mee te doen.
Edgecomputing laat ons data hergebruiken om productieprocessen slimmer te maken, of om de dienstverlening te verbeteren. Maar ook een dienst als Netflix zou zonder edgecomputing bezwijken onder het eigen succes. Alle content centraal neerzetten in een megacloud ver weg van de gebruiker is op den duur niet houdbaar.
Door: Loek Wilden is Data Center Lifecycle Consultant bij Schneider Electric