Europa als scheidsrechter in een spel dat het niet meer beheerst
Onlangs bleef een grafiek hangen die meer zegt dan duizend beleidsnota’s. Aan de ene kant een explosie van blauwe cirkels: jonge Amerikaanse bedrijven – Apple, Nvidia, Tesla, Amazon, Meta, Google – die uitgroeien tot kolossen. Aan de andere kant een veel bescheidener, grijzer patroon van Europese ondernemingen, grotendeels ouder dan vijftig jaar. Het beeld is ongemakkelijk helder: jonge Amerikaanse bedrijven groeien sneller en worden structureel groter. Europa kijkt vooral toe hoe een toekomst elders wordt gebouwd.
Maar de echte vraag is niet óf Europa achterloopt. De vraag is in welk spel het eigenlijk meedoet – en welke rol het daarin ambieert.
De metafoor van het spel
Europa gedraagt zich vaak alsof een wedstrijd vooral gewonnen wordt door een goede scheidsrechter te zijn. Het stelt regels op, bewaakt procedures en zorgt voor fair play. Maar uiteindelijk zijn het de spelers op het veld die bepalen hoe het spel zich ontwikkelt, welke technieken dominant worden en welke standaarden de wereld overnemen. Wie pas na de aftrap het veld opkomt, kan hooguit nog grenzen stellen, maar niet meer sturen. Dat is de kern van de machtsvraag in de 21e eeuw: wie bouwt, bepaalt uiteindelijk ook wat er gereguleerd kan worden. En als je zelf het spel niet meer actief meespeelt, moet je je ook niet te veel met de spelregels bemoeien.
Drie werelden, drie functies
In de huidige wereldeconomie kristalliseren zich grofweg drie dominante rollen uit. Europa excelleert in fundamenteel onderzoek, high-end engineering en institutionele stabiliteit. Hier ontstaan ideeën vaak in laboratoria en universiteiten; hier wordt technologie tot in de perfectie tot techniek uitgewerkt. De Verenigde Staten zijn meesters in het vertalen van die techniek naar schaalbare platforms en mondiale ecosystemen. Zij vermenigvuldigen innovatie. China daarentegen heeft zich ontpopt tot de grootmacht van industriële implementatie en opschaling: ideeën worden er razendsnel geproduceerd, geoptimaliseerd en wereldwijd uitgerold.
Geen van deze rollen is op zichzelf voldoende. Samen vormen ze het speelveld van technologische en economische macht. Europa’s probleem is niet dat het zwak is, maar dat het zijn eigen kracht onvoldoende verbindt met de schaal en snelheid van de anderen. Die snelheid realiseer je niet primair via overheden of unies, maar via bedrijven die ruimte krijgen om te ondernemen. Bedrijven die je faciliteert in plaats van ze te smoren in overmatige regels en ambtelijke controle. Zoals de vegers bij het kaatsen op het ijs: zij zorgen dat de kaats zo soepel mogelijk over het ijs glijdt, zonder zelf de worp te doen.
Waar Europa zichzelf overschat en onderschat
Europa onderschat vaak hoe moeilijk het is om in een nog altijd gefragmenteerde interne markt echte schaal te organiseren en de industrie te stimuleren. Tegelijk overschat het de strategische kracht van regelgeving. Regels zijn onmisbaar, maar ze volgen meestal de realiteit in plaats van die te scheppen. In sectoren waar standaarden zich razendsnel vormen, bepaalt ‘wie bouwt vaak ook wie normeert’. Europa reageert daardoor regelmatig achteraf op systemen die elders al grotendeels zijn vormgegeven en succesvol werken.
Toch is het beeld van een passief Europa onterecht. Wanneer Europese landen zich langdurig en met politieke consistentie rond een concreet industrieel doel scharen, ontstaat er wereldklasse. Airbus en Galileo zijn daarvan het bewijs. Ook ASML, met zijn bijna-monopolie op extreme ultraviolet-lithografie, toont wat Europa kan betekenen: een onmisbare schakel waar zowel de Verenigde Staten als China afhankelijk van zijn. Dergelijk succes komt niet vanzelf. Het vraagt tijd, focus, een gedeeld gevoel van urgentie én een overheid op de achtergrond en zich niet te veel bemoeit met het dagelijkse ondernemen. Politici en ambtenaren zijn zelden ondernemers; hun DNA is nu eenmaal meer risicomijdend dan risiconemend.
Strategische autonomie versus strategische relevantie
Het Europese debat over soevereiniteit slaat vaak door naar het verlangen naar strategische autonomie: alles (weer) zelf kunnen doen, van chips tot cloud, van software tot kritieke grondstoffen. Dat klinkt aantrekkelijk, maar in een diep geïntegreerde wereldeconomie is het grotendeels een illusie. Belangrijker is een andere ambitie: strategische relevantie. Niet onafhankelijkheid, maar onmisbaarheid. Niet isolatie, maar invloed door wederzijdse afhankelijkheid. Samen onmisbaar zijn zonder alles zelf te hoeven kunnen.
Dat betekent dat intensieve handel en samenwerking met de Verenigde Staten en China geen teken van zwakte hoeven te zijn, maar juist een bron van macht kunnen worden. Wie cruciaal is in de keten, heeft meer te zeggen dan wie zich afzijdig houdt. En juist handel is Europa – en zeker Nederland – historisch niet vreemd. In de zestiende eeuw ontstonden de VOC en WIC, na de Tweede Wereldoorlog legde de Benelux de basis voor de EEG – de motor van Europese samenwerking. Europa was altijd al een knooppunt op de oude zijderoutes. Dat kan het opnieuw worden. (Zie ook mijn eerdere blogs over EEG 2.0 en de digitale zijderoutes.)
Europa als knooppunt
Innovatie ontstaat niet overal op dezelfde manier. In sommige contexten komt technologische versnelling voort uit extreme urgentie. De drone- en defensie-innovatie in Oekraïne laat zien hoe snel systemen zich kunnen aanpassen wanneer de druk maximaal is. Ook in andere high-security-ecosystemen zie je hoe de nauwe koppeling tussen dreiging en ontwikkeling tot uitzonderlijke iteratiekracht leidt. Voor Europa is de les niet om conflicten na te streven, maar om te erkennen dat snelheid en experimenteerdrift in deze eeuw strategische factoren zijn geworden – eigenschappen die moeilijk te organiseren zijn in traditionele, consensusgerichte structuren.
Europa hoeft zichzelf niet als achterblijver te zien. Het kan zich juist ontwikkelen tot een cruciaal knooppunt: tussen het Amerikaanse platformdenken, de Chinese industriële schaal, de eigen wetenschappelijke en engineering-traditie, en de innovatie die ontstaat onder hoge druk. De vraag is niet of Europa meedoet, maar of het deze positie weet om te zetten in echte invloed – weer een belangrijke hub in de nieuwe digitale zijderoutes van deze eeuw.
De echte keuze
Uiteindelijk is de kern van het debat niet puur economisch, maar strategisch. Europa kan proberen alles zelf te bouwen in naam van autonomie. Of het kan accepteren dat macht in deze eeuw niet alleen voortkomt uit bezit, maar uit positie in netwerken van technologie, industrie en standaarden. Dat is geen keuze tussen controle en afhankelijkheid, maar tussen isolatie en invloed. En die invloed komt niet primair uit Brussel, maar uit de gezamenlijke kracht van Europese – dus nationale – industrie en handel.
De Europese Unie lijkt te geloven dat je een wedstrijd kunt winnen door alleen de scheidsrechter te zijn. Maar uiteindelijk bepalen de spelers hoe het spel zich ontwikkelt. En als ze dat niet meer in Europa kunnen, doen ze het ergens anders. De echte uitdaging dus is niet om alle rollen zelf te vervullen, maar om zó diep verweven te raken in het spel dat het zonder de betrokkenheid van Europese landen simpelweg niet volledig gespeeld kan worden.
Door: Hans Timmerman (foto)