Energie, niet intelligentie: waarom AI een commodity wordt en stroom het echte schaarse goed is (en blijft)
We hebben jarenlang gedacht dat intelligentie het schaarse goed van de eenentwintigste eeuw zou worden. Wie de slimste algoritmen bouwde, zou de wereld domineren. Kunstmatige intelligentie lijkt die verwachting juist onderuit te halen. Niet omdat intelligentie onbelangrijk is geworden, maar omdat zij steeds gemakkelijker reproduceerbaar blijkt. Zodra voldoende rekenkracht, data en kapitaal beschikbaar zijn, kan digitale intelligentie vrijwel onbeperkt worden opgeschaald.
Dat verschuift de echte schaarste naar een veel fundamentelere grondstof: energie
Deze gedachte kreeg onlangs een opmerkelijke bevestiging van NVIDIA-CEO Jensen Huang. Hij beschreef AI als een taart met vijf lagen. Onderaan ligt energie. Daarboven volgen chips, cloud-infrastructuur, AI-modellen en helemaal bovenaan de toepassingen die gebruikers daadwerkelijk ervaren.
Vrijwel de hele industrie heeft zich gestort op de laag van de modellen. Daar wordt het meeste geld geïnvesteerd, daar werken de meeste onderzoekers en daar ontstaat de hevigste concurrentie. Maar juist intense concurrentie maakt producten uiteindelijk inwisselbaar. Wat vandaag nog een technologische voorsprong lijkt, wordt morgen een standaardvoorziening.
Dat is geen uitzondering, maar een bekend economisch patroon. Innovatie creëert eerst schaarste en vervolgens overvloed. Uiteindelijk verschuift de waarde naar de onderliggende infrastructuur of juist naar de toepassingen die voor gebruikers het verschil maken.
Niet intelligentie is de beperking, maar energie
Misschien is dat wel de belangrijkste les van de huidige AI-golf. We spreken voortdurend over intelligentie, terwijl de echte beperking helemaal niet intelligentie blijkt te zijn. De beperking is de hoeveelheid energie die nodig is om die intelligentie te produceren.
Geen enkel algoritme bouwt een elektriciteitsnet. Geen investeringsronde bouwt een kerncentrale, waterkrachtcentrale of hoogspanningsverbinding. Uiteindelijk draait zelfs de meest geavanceerde AI gewoon op elektronen die ergens moeten worden opgewekt.
Dat klinkt misschien verrassend, maar de geschiedenis laat hetzelfde patroon keer op keer zien. De industriële revolutie draaide uiteindelijk niet om de stoommachine, maar om de beschikbaarheid van steenkool. De economische macht van de twintigste eeuw werd niet bepaald door auto’s, maar door olie. Ook de digitale revolutie, die jarenlang vrijwel gewichtloos leek, blijkt uiteindelijk afhankelijk van iets heel tastbaars: betrouwbare en betaalbare elektriciteit.
De natuur had dit overigens allang begrepen
Ons brein vertegenwoordigt slechts ongeveer twee procent van ons lichaamsgewicht, maar gebruikt ongeveer twintig procent van onze dagelijkse energie. Met een continu vermogen van ongeveer twintig watt ontstaan taal, creativiteit, redeneren en bewustzijn. Geen enkel AI-systeem komt ook maar in de buurt van die energie-efficiëntie.
Dat is niet toevallig. Evolutie heeft honderden miljoenen jaren gewerkt aan precies één optimalisatieprobleem: zoveel mogelijk intelligent gedrag met zo weinig mogelijk energieverbruik. Elke overbodige joule betekende immers een kleinere overlevingskans.
Onze huidige AI volgt bijna de tegenovergestelde strategie. We lossen intelligentie op door enorme hoeveelheden energie beschikbaar te maken. Dat werkt indrukwekkend goed, maar het is nog een buitengewoon inefficiënte manier van rekenen. De volgende grote doorbraak zal daarom waarschijnlijk niet alleen bestaan uit grotere modellen, maar uit slimmere hardware, efficiëntere algoritmen en rekenarchitecturen die zich meer laten inspireren door biologische intelligentie.
Daarmee verandert ook de economische machtsbalans
De modellen zelf zullen steeds meer een commodity worden. Het onderscheid tussen aanbieders wordt kleiner naarmate meer partijen vergelijkbare prestaties leveren. Waarde verschuift dan vanzelf naar twee uitersten: de infrastructuur die de benodigde energie en rekenkracht levert, en de toepassingen die voor gebruikers daadwerkelijk problemen oplossen.
Dat verklaart ook waarom steeds meer aandacht uitgaat naar energievoorziening, elektriciteitsnetten en nieuwe vormen van energieopwekking. AI blijkt uiteindelijk niet alleen een softwarevraagstuk te zijn, maar minstens zozeer een infrastructuurvraagstuk.
Misschien is dat wel de grootste ironie van dit moment. We hebben misschien de meest geavanceerde vorm van digitale intelligentie ooit gebouwd, maar de uiteindelijke grens ervan wordt niet bepaald door software. Die wordt bepaald door natuurkunde.
Over twintig jaar spreken we mogelijk niet meer over de AI-race, maar over de energierace die eraan ten grondslag lag. Net zoals niemand de industriële revolutie begrijpt zonder steenkool en niemand de twintigste eeuw zonder olie begrijpt, zullen toekomstige historici de AI-revolutie niet begrijpen zonder elektriciteit.
Misschien blijkt intelligentie uiteindelijk helemaal niet het schaarse goed van deze eeuw te zijn. Misschien zijn het gewoon de watts en de joules die bepalen hoe intelligent onze samenleving kan worden.
Door: Hans Timmerman (foto)