Vitale infrastructuur Noordzee is ‘vogelvrij’ voor spionnen
Is de vitale infrastructuur op de Noordzee tot zeker 2027 onvoldoende beschermd tegen sabotage en spionage? Die prangende vraag stelt SGP-Kamerlid Diederik van Dijk aan de Minister van Defensie. Aanleiding is een alarmerend bericht dat de Nederlandse Kustwacht door nijpende tekorten aan geld en personeel nauwelijks kan optreden tegen dreigingen op zee, zoals Russische schepen die zeekabels besnuffelen.
Het Kamerlid reageert op onthullingen in NRC, waaruit blijkt dat de Kustwacht de komende jaren de handen gebonden zijn. Terwijl de dreiging vanuit landen als Rusland toeneemt, lijkt de bescherming van internetkabels, gasleidingen en windparken vast te lopen in bureaucreatie en departementaal gesteggel over de rekening.
Russische spionageschepen
In zijn schriftelijke vragen herinnert Van Dijk de minister aan een concreet incident op 24 november 2023. Toen kon het Russische spionageschip Eagle S twee uur lang ongestoord boven strategische onderzeese kabels bij Terschelling varen. De SGP wil weten of dergelijke incidenten direct te wijten zijn aan het gebrek aan actieve surveillance.
De kritiek richt zich met name op het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI). Hoewel de noodzaak van dit programma door alle betrokken ministeries wordt erkend, lijkt de uitvoering verlamd door onenigheid over wie voor de kosten moet opdraaien. Van Dijk spreekt van "gesteggel" en eist dat het kabinet hier direct een einde aan maakt.
Europese poortwachter
De SGP voert de druk op door te wijzen naar Brussel en de NAVO. Omdat Nederland een cruciale Europese toegangspoort is voor trans-Atlantische datakabels, zou het kabinet moeten onderzoeken of er Europese middelen beschikbaar zijn om de financiële gaten te dichten.
Daarnaast wordt de minister gevraagd naar de rol van de NAVO. Gezien de geopolitieke spanningen is de veiligheid van maritieme infrastructuur niet langer alleen een nationale, maar een collectieve defensie-opgave.
Stapeling van zorgen
De vragen van Van Dijk staan niet op zichzelf. Ze dienen als aanvulling op eerdere vragen van het CDA (leden Boelsma-Hoekstra, Van Lanschot en Boswijk), wat duidt op breed gedragen zorgen in de Tweede Kamer over de veiligheid op de Noordzee. De minister heeft doorgaans drie weken de tijd om de vragen te beantwoorden.