Odido is terecht verplicht om apparatuur Huawei en ZTE te weren
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft op 19 februari 2026 uitspraak gedaan op het hoger beroep van Odido tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2023:10132). De zaak gaat over de maatregel (verplichting) die de minister aan Odido heeft opgelegd om geen gebruik te maken van apparatuur van de leveranciers Huawei en ZTE in kritieke onderdelen van haar mobiele netwerk en om de daar aanwezige apparatuur te vervangen. Het CBb oordeelt dat de verplichting terecht is opgelegd.
In 2018 hebben de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst geadviseerd maatregelen te treffen binnen de telecomsector vanwege een toename van digitale spionage in de telecomsector. Na een risicoanalyse van de kwetsbaarheid van de mobiele netwerken door een interdepartementale Taskforce Economische Veiligheid, is er regelgeving opgesteld. Daarin heeft de minister bevoegdheid gekregen een telecomaanbieder de verplichting op te leggen om in kritieke onderdelen van het netwerk uitsluitend gebruik te maken van apparatuur van zogenoemde vertrouwde leveranciers. De minister mag die bevoegdheid gebruiken als dat noodzakelijk is om risico’s voor de veiligheid en integriteit van netwerk of dienst die de nationale veiligheid of openbare orde raken, te beheersen. Op basis hiervan is aan Odido de maatregel opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep tegen de opgelegde maatregel op 27 oktober 2023 ongegrond verklaard. Het CBb bevestigt nu de uitspraak van de rechtbank.
Telecomcode
Het CBb oordeelt dat de Telecommunicatiewet (Tw) een grondslag voor de maatregel biedt, dat de Tw niet in strijd is met de geldende Europese richtlijn (de Telecomcode) en dat ook zogenaamde Europese softlaw de toepasselijke bepaling van de Tw steunt. De regelgeving die op basis van de Tw is opgesteld is niet onverbindend wegens strijd met het vrij verkeer van goederen, het evenredigheidsbeginsel, of het verbod van willekeur. Dat geldt ook voor de maatregel, die daarnaast niet onzorgvuldig tot stand is gekomen en een redelijke vervangingstermijn bevat. Verder is de opgelegde maatregel niet in strijd met het recht van Odido op ongestoord genot van eigendom (het netwerk).
Het CBb oordeelt verder dat Odido niet in aanmerking komt voor nadeelcompensatie, omdat de omvang van de schade (op concernniveau) lager is dan de standaard drempel van 2% van de normkosten. Odido’s beroep op het vertrouwensbeginsel wordt door het CBb verworpen. Het CBb geeft geen oordeel over de vergoeding die de minister al aan Odido heeft toegekend, omdat die vergoeding geheel onverplicht is.