06 februari 2026

Kiezen tussen hoop en wanhoop

Vertellen we hun dat de wereld waarin zij opgroeien op haar laatste benen loopt? Dat groei verdacht is, ambitie gevaarlijk en vooruitgang vooral iets om te wantrouwen? Of geven we hun, ondanks alle problemen en uitdagingen die er zijn, het vertrouwen mee dat morgen beter kan worden dan vandaag — mits zij zelf bouwen, ontdekken en verantwoordelijkheid nemen?

Kiezen tussen hoop en wanhoop image

Elke generatie kent onzekerheid. Oorlog, schaarste en crisis zijn geen uitzonderingen in de geschiedenis. Wat samenlevingen overeind hield, was niet de afwezigheid van problemen, maar de aanwezigheid van hoop: het vertrouwen dat inspanning zin heeft en dat de mens in staat is zichzelf te corrigeren.

Juist die hoop staat in Europa steeds vaker ter discussie. De afgelopen maanden is hier een scherp debat ontstaan dat verder gaat dan beleid. Het raakt aan een fundamentele keuze: vertrouwen we op vooruitgang en menselijke vindingrijkheid of omarmen we een narratief van grenzen, schuld en afbouw? Met andere woorden: kiezen we voor hoop of voor wanhoop?

Onder dit debat liggen klassieke vragen. Maakt de mens de wereld uiteindelijk beter of slechter? Is de aarde praktisch gezien eindig of weten we haar steeds opnieuw te verruimen door kennis, technologie en organisatie? En misschien de kernvraag: moeten we blijven groeien of is groei zelf het probleem geworden? In een eerdere blog stelde ik al de vraag of 2026 het symbolische einde markeert van een Malthusiaanse periode die Europa de afgelopen decennia in haar greep hield. Een periode van schuld en boete.

Groei en twijfel

Buiten Europa lijkt die twijfel minder groot. Of zelfs afwezig. In grote delen van de wereld is groei nog steeds het uitgangspunt. Economische ontwikkeling, technologische vooruitgang en maatschappelijke opbouw worden gezien als voorwaarden voor stabiliteit en welzijn. Dat was ook het Europese uitgangspunt in de twintigste eeuw: welvaart als instrument om armoede, ziekte en ongelijkheid te bestrijden.

Dat zelfvertrouwen veranderde na het rapport van de Club van Rome in 1969. Voor het eerst werd breed betoogd dat onbegrensde groei op een begrensde planeet onvermijdelijk tot problemen leidt. Groei werd niet langer gezien als oplossing, maar als risico. Die gedachte heeft zich diep in het Europese denken genesteld. Een reformatie die hoop steeds vaker omzette in wanhoop.

Het gevolg is een scherpe tweedeling. Aan de ene kant staat hoop: het geloof dat menselijke creativiteit en technologie ook deze grenzen weten te verleggen. Aan de andere kant wanhoop: de overtuiging dat we al te ver zijn gegaan en dat alleen beperking en afbouw erger kunnen voorkomen. Europa heeft afgelopen jaren steeds vaker voor dat laatste gekozen.

De Europese breuk

Opmerkelijk genoeg juist het continent dat eeuwenlang innovatie en vooruitgang belichaamde, roept nu op tot remmen en teruggaan. Klimaatbeleid, energietransitie en regulering zijn deels terecht, maar worden vaak verpakt in taal van schuld en dreiging. Hoop maakt plaats voor beheersing en regulering. Met regels hopen we de wanhoop te beheersen en te verbloemen.

Daarbij ontstaat een paradox. Terwijl Europa streeft naar morele en ecologische zuiverheid, verplaatst het vervuiling, grondstofwinning en energieproductie buiten het eigen gezichtsveld. We leven schoon, omdat anderen het vuile werk doen. We willen de top-atleet zijn, maar accepteren niet langer zijn zweet. We willen zuivere voeding, maar accepteren niet de daarvoor noodzakelijke mest.

Tegelijkertijd kiezen andere machten voor een ander narratief. De Verenigde Staten zetten opnieuw in op industrie, technologie en veiligheid, vanuit het geloof dat vooruitgang mogelijk blijft. Niet als ontkenning van problemen, maar als weigering om zich door problemen te laten verlammen. En geen zelfkastijding meer te accepteren.

Hoop en vrees als Europees erfgoed

Deze tegenstelling is ouder dan het huidige beleid. Europa wordt al eeuwen gekenmerkt door twee concurrerende wereldbeelden. Enerzijds het geloof in hoop: God — en later rede en wetenschap — als helper, die herstel mogelijk maakt. Anderzijds het geloof in vrees: God als rechter, die straft wanneer de mens zich niet sober en ingetogen gedraagt.

Die religieuze scheidslijn werkte diep door in cultuur en politiek. Hoop stimuleerde bouwen en vernieuwing; angst leidde tot beheersing en zelfbeperking. Opmerkelijk genoeg droeg juist de katholieke wereldorde, met haar huwelijksverboden tot in de zevende graad, bij aan sociale en genetische diversiteit. Dat voorkwam inteelt en legde onbedoeld een basis voor samenwerking, abstract denken en institutionele ontwikkeling — voorwaarden voor Europese bloei.

Vandaag keert die tegenstelling terug in seculiere vorm. De ‘groene kerk’ kent zonde, schuld en boete, met een naderend einde als dreiging. Daartegenover staat het geloof in de mens als lerend en scheppend wezen. Niet blind optimistisch, maar overtuigd dat oplossingen voortkomen uit bouwen, niet uit berusting.

Europa, Rusland en cycli van crisis

Ook geopolitiek is dit moment niet nieuw. Europa en Rusland zijn eeuwenlang met elkaar verweven geweest. Tsaar Peter de Grote leerde in Zaandijk van Nederlandse scheepsbouw; Russische literatuur toonde Europa een andere omgang met schuld, lijden en hoop.

In The Fourth Turning wordt beschreven hoe samenlevingen cyclisch door crises gaan. Ongeveer elke tachtig jaar — een mensenleven — bereiken instituties hun grens en wordt een nieuwe generatie geconfronteerd met conflict en herdefinitie. De Tweede Wereldoorlog vormde zo’n breuklijn. De stabiele wederopbouwperiode die volgde, is intussen aan haar einde te komen.

De oorlog in Oekraïne en de conflicten in het Midden-Oosten dragen kenmerken van zulke overgangsjaren. Het is geen creatieve vernietiging, maar destructie uit wanhoop. In zulke perioden speelt niet alleen angst, maar ook haat een beslissende rol. Wanneer hoop verdwijnt, verhardt overtuiging tot vijandschap en wordt geweld gelegitimeerd als noodzaak.

In Rusland en Oekraïne is intussen – meer zelfs dan in WO II – een hele generatie jonge mannen opgeofferd aan een oorlog die nauwelijks nog toekomstperspectief biedt. In delen van de islamitische wereld zien we hoe honderduizenden burgers zijn en worden vermoord vanwege geloof, afkomst of het verlangen naar vrijheid. Ook vandaag, in Iran, worden protest en hoop met brute repressie beantwoord. Het patroon is telkens hetzelfde: wanhoop wordt ideologie, haat wordt motor.

Toch laten deze tragedies ook zien waar het werkelijk om draait. Oorlogen uit wanhoop vernietigen, zonder iets nieuws voort te brengen. Pas wanneer haat wordt afgezworen en hoop weer richting geeft, ontstaat ruimte voor opbouw en vernieuwing. ‘Creative destruction’ – opbouwende vernieuwing – mits samenlevingen dan wel bewust kiezen voor herstel in plaats van wraak.

Hoop als keuze

En zo keren we terug naar onze kinderen. Zij groeien op in een wereld vol crisisverhalen en doemscenario’s. De vraag is niet of zij problemen zullen kennen — dat deed elke generatie — maar of wij hun het vertrouwen meegeven dat oplossingen mogelijk zijn.

Geschiedenis laat zien dat wanhoop oorlog verklaart. Angst en uitzichtloosheid leiden tot vernietiging. Maar geschiedenis laat ook zien dat hoop bepaalt wat erna komt.

Hoop is geen naïviteit en geen ontkenning van grenzen. Het is geloven in de toekomst! Het is de overtuiging dat mens, techniek en samenwerking sterker zijn dan berusting. Als Europa zichzelf niet wil verliezen, zal het die hoop opnieuw moeten durven uitspreken. Niet als ideologie, maar als beschavingskeuze. Want wanhoop vernietigt uiteindelijk alles. Hoop is wat we onze kinderen verschuldigd zijn.

Door: Hans Timmerman (foto)

Datto 01 2026 BW + BN periode 1 Infinity 01-2026 BW + BN
PNY 01-2026 BN