Hoeveel mens bevat onze aarde?
Soms kom je een afbeelding tegen die je wereldbeeld niet verandert, maar wel scherper stelt. Een paar weken geleden zag ik een infographic over de verdeling van alle biomassa op aarde. Geen spectaculaire foto uit de ruimte, geen indrukwekkende natuurdocumentaire, maar een eenvoudige grafiek waarin al het leven op aarde was teruggebracht tot één overzicht. Toch bleef ik er veel langer naar kijken dan ik had verwacht.
Wat deze afbeelding zo bijzonder maakt, is dat ze het leven niet telt in aantallen organismen, maar in biomassa: de hoeveelheid koolstof die samen alle levende organismen vormen. De totale levende biomassa op aarde bedraagt ongeveer 546 miljard ton koolstof. Daarvan bestaat maar liefst 82 procent uit planten. Daarna volgen bacteriën, vervolgens schimmels. Dieren vormen samen slechts een klein deel van het geheel.
En ergens, bijna onzichtbaar aan de rand van de figuur, staan wij.
De gezamenlijke biomassa van alle mensen bedraagt ongeveer 0,06 miljard ton koolstof. Dat is ruwweg één honderdste van één procent van alle biomassa op aarde. Letterlijk een dun streepje in de grafiek.
Dat vond ik een verrassend besef. Wij ervaren onszelf als de dominante soort op aarde. We bouwen steden, leggen wegen aan, vliegen de ruimte in en ontwikkelen technologie die de wereld in hoog tempo verandert. Maar als je uitsluitend kijkt naar de hoeveelheid levend materiaal die wij vertegenwoordigen, zijn we nauwelijks zichtbaar.
Dat gevoel wordt nog sterker wanneer je bedenkt hoeveel ruimte we werkelijk innemen. Alle steden, dorpen, wegen en industrieterreinen samen beslaan slechts enkele procenten van het landoppervlak. En land vormt nog geen derde van het oppervlak van onze planeet; de rest bestaat uit oceanen. Fysiek zijn wij dus een uiterst bescheiden verschijning op een aarde die vooral groen en blauw is. Het is zelfs zo, dat als we per aardbewoner 1 m2 rekenen, de hele wereldbevolking past op een kwart van Nederland.
Ook binnen het dierenrijk zijn we verre van de grootste speler. De gezamenlijke biomassa van vissen is vele malen groter dan die van de mensheid. Ook geleedpotigen – van insecten tot kreeftachtigen – vertegenwoordigen een enorme hoeveelheid leven. En onder onze voeten bevinden zich ontelbare bacteriën en schimmels die gezamenlijk veel fundamenteler zijn voor het functioneren van de aarde dan wij ooit zullen zijn.
Dat alles relativeert onze plaats in de natuur. Maar tegelijkertijd maakt het onze positie juist des te opmerkelijker.
Want onze invloed staat in geen enkele verhouding tot onze fysieke omvang. Niet omdat we zoveel wegen, maar omdat we beschikken over taal, technologie en een uitzonderlijk vermogen om kennis op te bouwen en door te geven. Een soort die in de totale biomassa nauwelijks zichtbaar is, heeft een technologische hefboom ontwikkeld waarmee zij de wereld ingrijpend kan veranderen.
Die hefboom fascineert mij misschien nog wel meer dan onze intelligentie zelf. Want de aarde is niet kwetsbaar omdat wij er zijn. De aarde heeft miljarden jaren zonder mensen bestaan. Ze zal ook na ons blijven bestaan. Bossen zullen terugkeren, oceanen zullen zich herstellen en evolutie zal nieuwe soorten voortbrengen. De planeet redt zich wel.
De vraag is of wij onszelf redden.
Juist daarom verbaast het mij dat het publieke debat zo vaak draait om klimaat, energie of stikstof. Dat zijn zonder twijfel belangrijke onderwerpen, maar ze leiden mijns inziens af van een fundamenteler probleem: de steeds verdergaande vervuiling van onze leefomgeving met stoffen die de natuur nooit heeft gekend.
In nauwelijks een eeuw hebben we honderdduizenden synthetische chemische verbindingen ontwikkeld. De meeste maken ons leven gemakkelijker, veiliger of comfortabeler. Maar sommige blijken vrijwel niet afbreekbaar. Ze hopen zich op in bodem, water, planten, dieren en uiteindelijk ook in ons eigen lichaam. PFAS is daarvan misschien wel het bekendste voorbeeld. We ontdekken steeds vaker dat zulke stoffen niet alleen ecosystemen aantasten, maar mogelijk ook onze eigen gezondheid en voortplanting beïnvloeden.
En juist daarin zie ik de grootste paradox van de mens.
Wij zijn biologisch een bijna verwaarloosbare soort. Een nauwelijks zichtbaar streepje in de totale biomassa van de aarde. Maar dankzij onze chemische kennis zijn we wel in staat omstandigheden te creëren die uiteindelijk onze eigen soort kunnen ondermijnen. Niet omdat de aarde ophoudt te bestaan, maar omdat wij onze leefomgeving – waarvan wij zelf afhankelijk zijn – steeds verder vervuilen.
Als dat gebeurt, is dat misschien wel de meest ironische uitkomst van de evolutie. De jongste soort op aarde, uitgerust met het grootste denkvermogen, zou zichzelf uit het systeem kunnen verwijderen, terwijl het overgrote deel van het andere leven eenvoudig doorgaat.
Misschien is dat wel de belangrijkste les van deze afbeelding. Niet dat wij onbelangrijk zijn, maar dat belangrijk zijn iets anders is dan groot zijn.
De aarde bevat verrassend weinig mens. Onze biomassa stelt vrijwel niets voor. Onze invloed daarentegen is enorm. Juist daarom zouden we onze aandacht veel meer moeten richten op de kwaliteit van de leefomgeving die we achterlaten dan op de omvang van onze economische groei of ons technologische kunnen. Niet omdat de aarde ons nodig heeft, maar omdat wij zonder een gezonde biosfeer uiteindelijk geen toekomst hebben.
Misschien is de belangrijkste vraag daarom niet hoeveel mens de aarde bevat. De echte vraag is hoeveel aarde er straks nog in de mens zit.
Wie mijn blogs vaker leest, weet dat deze gedachte niet nieuw is. In een eerder artikel, ‘Wil de echte doemdenker opstaan?’, schreef ik al dat niet klimaat of energie de existentiële uitdaging van onze soort vormen, maar de vervuiling van onze leefomgeving met stoffen die uiteindelijk ook onszelf treffen. Deze infographic gaf mij daar onverwacht een nieuw perspectief op. Soms heb je maar één dun streepje in een grafiek nodig om je opnieuw te realiseren hoe klein we eigenlijk zijn – en hoe zorgvuldig we dus met onze enige leefomgeving zouden moeten omgaan.
De aarde overleeft ons waarschijnlijk wel. De vraag is of wij onszelf overleven. En dat antwoord ligt misschien wel meer in onze chemische laboratoria en vervuilende mijnbouw dan in onze politieke debatten.
Door: Hans Timmerman (foto)