Ongewenste software-upgrades kosten miljoenen
Grote ondernemingen geven gemiddeld 28 procent van hun softwarebudget uit aan upgrades, migraties en licentiewijzigingen waar zij zelf niet voor gekozen zouden hebben. Dat blijkt uit een nieuw onderzoek van Origina en Thinkers50 onder meer dan 2.000 IT-beslissers in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Dit fenomeen, aangeduid als de 'Software Tax', vormt een terugkerende financiële en operationele druk op organisaties.
Uit het onderzoek blijkt dat 95 procent van de IT-leiders in de afgelopen drie jaar heeft betaald voor leveranciersgedreven upgrades die volgens hen de prestaties, betrouwbaarheid of bedrijfswaarde juist verminderden. De meest recente verplichte upgrade kostte grote bedrijven gemiddeld 12,87 miljoen dollar.
De impact reikt verder dan het IT-budget alleen: innovatie-initiatieven worden het vaakst getroffen, gevolgd door werving en beveiliging. Zo geeft 90 procent van de respondenten aan dat door leveranciers opgelegde kosten een rol speelden bij het vertragen, pauzeren of annuleren van een AI- of dataproject.
De afhankelijkheid van grote leveranciers is groot: 80 procent van de ondervraagden geeft aan dat afstappen van een primaire softwareleverancier ernstige bedrijfsontregeling veroorzaakt. Daarnaast meldt 84 procent dat ervaren ontwikkelaars regelmatig tijd moeten besteden aan gedwongen upgrades in plaats van aan innovatie. Ook hardware wordt getroffen: 91 procent heeft de afgelopen drie jaar functionele hardware voortijdig afgedankt om te voldoen aan de ondersteuningsdeadlines van softwareleveranciers.
Om deze marktdynamiek te doorbreken pleit 91 procent van de IT-leiders voor wetgeving die enterprise-softwareklanten beschermt, vergelijkbaar met huurbescherming, terwijl 82 procent ondersteuning eist naar het model van het Europese recht op reparatie bij hardware.